Middelenmisbruik als contra-indicatie voor psychodiagnostisch onderzoek

Jun 19, 2026 | Artikel, Overige

Omdat er binnen het vakgebied discussie bestaat over de betrouwbaarheid van psychodiagnostisch onderzoek (PO) bij patiënten die middelen gebruiken, is vorig jaar besloten om middelengebruik voortaan expliciet mee te nemen in de besluitvorming rondom de inzet van PO’s binnen Faas Psychologie. Om dit te borgen, is middelengebruik als vast onderdeel opgenomen in het aanvraagformulier dat altijd tijdens het MDO besproken wordt als gedacht wordt aan het inzetten van psychodiagnostiek.

Auteurs: Gerda Wesseling PhD, klinisch psycholoog en Mathilde Giepman-Pronk PhD, psycholoog

 

Naast de waardevolle klinische ervaringen die hierover bestaan, rijst de vraag welke wetenschappelijke kennis beschikbaar is over de invloed van middelengebruik ten tijde van psychologisch onderzoek. Bij de beantwoording van deze vraag is specifiek gekeken naar de diagnostische vraagstellingen waarvoor psychologisch onderzoek binnen Faas Psychologie het meest wordt ingezet, namelijk de diagnostiek van ADHD, autismespectrumstoornissen (ASS) en persoonlijkheidsproblematiek. Voor het verzamelen en analyseren van de beschikbare wetenschappelijke literatuur is gebruikgemaakt van EvidenceHunt. Ook zijn de zorgstandaarden geraadpleegd voor eventuele aanvullende adviezen.

Middelengebruik en diagnostiek naar ADHD

De comorbiditeit tussen ADHD en stoornissen in middelengebruik is substantieel. Meta-analyses laten zien dat ongeveer één op de vier personen met een stoornis in middelengebruik tevens voldoet aan de criteria voor ADHD, waarbij de prevalentie wordt geschat tussen de 21% en 23,1%.¹˒²

Er is relatief weinig onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van ADHD-diagnostiek bij personen die actief middelen gebruiken. Een Nederlandse prospectieve test-herteststudie uit 2017, uitgevoerd onder 127 volwassenen met een stoornis in middelengebruik en een comorbide ADHD-diagnose, liet zien dat 95,3% van de deelnemers na een gemiddelde follow-upperiode van 78 dagen nog steeds voldeed aan de DSM-IV-criteria voor ADHD. Dit was ondanks een afname van het middelengebruik met ongeveer 50%.³ In deze studie werd gebruikgemaakt van het Conners’ Adult ADHD Diagnostic Interview for DSM-IV.

In de huidige klinische praktijk wordt veelvuldig gebruikgemaakt van de DIVA4, waaronder ook binnen Faas Psychologie. Onderzoek laat zien dat middelengebruik geen contra-indicatie vormt voor afname van deze interviews. Integendeel, de DIVA wordt routinematig en effectief toegepast bij de diagnostiek van ADHD bij volwassenen met een stoornis in middelengebruik.⁵˒⁶

Tegelijkertijd kan het stellen van een ADHD-diagnose bij volwassenen met een stoornis in middelengebruik complex zijn. Symptomen van ADHD kunnen overlappen met de effecten van middelengebruik of ontwenningsverschijnselen, terwijl middelengebruik zelf gepaard kan gaan met cognitieve beperkingen die de diagnostiek bemoeilijken.²,⁷⁻⁹ Een systematische review concludeert dat de validiteit en betrouwbaarheid van de diagnose kunnen worden vergroot door middel van een uitgebreide en gedetailleerde anamnese, waarin expliciet aandacht wordt besteed aan de temporele samenhang tussen ADHD-symptomen, middelengebruik en eventuele andere psychiatrische aandoeningen.² Daarnaast kan herbeoordeling van ADHD-symptomen gedurende de behandeling van de stoornis in middelengebruik bijdragen aan het verkleinen van de kans op een foutieve diagnose.²

De comorbiditeit tussen ADHD en stoornissen in middelengebruik is substantieel.

Middelengebruik en diagnostiek naar ASS

Ook autismespectrumstoornissen (ASS) en stoornissen in middelengebruik komen regelmatig gezamenlijk voor. Een systematische review uit 2020, gebaseerd op 26 studies naar middelengebruik bij personen met ASS, rapporteerde prevalentiecijfers die uiteenliepen van 1,3% tot 36%.¹⁰ Factoren die mogelijk bijdragen aan deze samenhang zijn onder meer gevoelens van sociale isolatie, beperkingen in executieve functies en de frequente aanwezigheid van comorbide aandoeningen, zoals depressieve stoornissen, angststoornissen en ADHD.¹¹˒¹²

De beschikbare wetenschappelijke literatuur biedt geen aanwijzingen dat abstinentie van middelen een voorwaarde is voor het stellen van een ASS-diagnose. Wel onderstreept de hoge mate van comorbiditeit het belang van alertheid op middelengebruik bij personen met ASS en omgekeerd.¹¹ Tegelijkertijd blijkt uit de literatuur dat er nog onvoldoende specifieke diagnostische instrumenten en richtlijnen beschikbaar zijn voor de beoordeling van deze dubbele problematiek, wat de diagnostiek kan bemoeilijken.

Middelengebruik en diagnostiek naar persoonlijkheidsstoornissen

Ook persoonlijkheidsstoornissen en stoornissen in middelengebruik gaan vaak samen. Onder patiënten die behandeld worden voor een verslaving varieert de prevalentie van een comorbide persoonlijkheidsstoornis van 34,8% tot 73,0%.13,14

Op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur kan worden geconcludeerd dat middelengebruik geen contra-indicatie vormt voor de psychologische beoordeling of diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen. Integendeel, de hoge mate van comorbiditeit maakt een zorgvuldige evaluatie juist extra belangrijk.¹³ Wel kan de diagnostiek worden bemoeilijkt doordat kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis kunnen overlappen met de effecten van psychoactieve middelen. Hierdoor kan het klinische beeld complexer worden en bestaat er een verhoogd risico op diagnostische onduidelijkheid.15

Conclusie

Op basis van de gevonden literatuur zijn er geen aanwijzingen dat middelengebruik een absolute contra-indicatie vormt voor diagnostiek naar ADHD, autismespectrumstoornissen (ASS) of persoonlijkheidsstoornissen.
De beschikbare onderzoeken suggereren dat diagnostiek ook tijdens actief middelengebruik betrouwbaar kan worden uitgevoerd, mits het diagnostisch proces zorgvuldig en methodisch wordt vormgegeven. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de wetenschappelijke onderbouwing op dit terrein beperkt is en dat in veel studies gebruik is gemaakt van inmiddels verouderde diagnostische instrumenten. Mogelijk speelt hierbij ook een rol dat ethische overwegingen onderzoek bemoeilijken, bijvoorbeeld ten aanzien van de afweging tussen het aanbieden of uitstellen van diagnostiek en behandeling ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek.
Tegelijkertijd blijkt uit de literatuur dat middelengebruik de diagnostiek kan compliceren door symptomatische overlap, cognitieve effecten van middelen en de frequente aanwezigheid van psychiatrische comorbiditeit. Een uitgebreide anamnese, expliciete aandacht voor de relatie tussen klachten en middelengebruik, en waar nodig follow-uponderzoek zijn daarom essentieel voor een betrouwbare diagnostische beoordeling.

Adviezen vanuit de zorgstandaarden

Aanvullend zijn de multidisciplinaire richtlijnen (MDR) voor ‘Stoornissen in het gebruik van alcohol’ 16 en voor ‘Stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne, amfetamine, ecstasy, GHB en benzodiazepines’ 17 geraadpleegd voor aanbevelingen in het kader van diagnostiek bij patiënten met een stoornis in het gebruik van middelen en een comorbide andere psychiatrische stoornis. De belangrijkste conclusies uit de richtlijnen 16,17 zijn:

 

    • Psychiatrische comorbiditeit komt vaak voor bij patiënten met een stoornis in het gebruik van middelen
    • Daarom wordt aanbevolen om bij patiënten met een stoornis in het gebruik van middelen systematisch te screenen op angststoornissen, stemmingsstoornissen, PTSS, ADHD, persoonlijkheidsstoornissen en cognitieve beperkingen (en vice versa).
    • Er bestaan geen eenduidige richtlijnen over het optimale moment waarop comorbide psychiatrische stoornissen bij middelengebruik kunnen worden vastgesteld.
    • Diagnostiek vindt bij voorkeur plaats na een periode van abstinentie, omdat middelengebruik en onthouding de uitkomsten kunnen beïnvloeden.
    • Voor de meeste stoornissen wordt een abstinentieperiode van twee tot vier weken aanbevolen (met uitzondering van PTSS en ADHD).
    • Omdat abstinentie in de praktijk niet altijd haalbaar is, kan diagnostiek zo nodig ook tijdens gestabiliseerd middelengebruik worden uitgevoerd.
    • Bij de beoordeling van mogelijke comorbiditeit zijn factoren zoals de leeftijd waarop klachten ontstonden, het beloop van de klachten, eerdere aanwezigheid tijdens abstinente periodes en familieanamnese belangrijke aanknopingspunten.

Take home message: Gezien de hoge mate van comorbiditeit tussen middelengebruik en psychische stoornissen wordt aanbevolen om middelengebruik systematisch uit te vragen, zorgvuldig te beoordelen en, indien van toepassing, te classificeren. Dit is relevant zowel tijdens de intakefase als bij de afweging of psychodiagnostisch onderzoek geïndiceerd is.

Referenties

  1. Rohner, H., Gaspar, N., Philipsen, A., & Schulze, M. (2023). Prevalence of Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) among Substance Use Disorder (SUD) Populations: Meta-Analysis. International journal of environmental research and public health, 20(2), 1275. https://doi.org/10.3390/ijerph20021275
  2. van Emmerik-van Oortmerssen, K., van de Glind, G., van den Brink, W., Smit, F., Crunelle, C. L., Swets, M., & Schoevers, R. A. (2012). Prevalence of attention-deficit hyperactivity disorder in substance use disorder patients: a meta-analysis and meta-regression analysis. Drug and alcohol dependence, 122(1-2), 11–19. https://doi.org/10.1016/j.drugalcdep.2011.12.007
  3. van Emmerik-van Oortmerssen, K., Vedel, E., Kramer, F. J., Koeter, M. W., Schoevers, R. A., & van den Brink, W. (2017). Diagnosing ADHD during active substance use: Feasible or flawed?. Drug and alcohol dependence, 180, 371–375. https://doi.org/10.1016/j.drugalcdep.2017.07.039
  4. Kooij, J.J.S., & Francken, M.H. (2010). Diagnostisch Interview voor ADHD (DIVA 2.0) bij volwassenen. DIVA Foundation. In: Kooij, J.J.S. ADHD bij volwassenen. Diagnostiek en behandeling. (3de druk). Amsterdam: Pearson Assessment and Information. divacenter.eu.
  5. Therribout, N., Romo, L., Hennequin, T., Chrétienneau, C., Davost, L., Fontaine, T., Bellivier, F., Vorspan, F., Dereux, A., Karsinti, E., & Icick, R. (2026) Psychometric properties of ADHD screening and diagnostic tools in patients with severe substance use disorders. International journal of clinical and health psychology : IJCHP, 26(1), 100682. https://doi.org/10.1016/j.ijchp.2026.100682
  6. Therribout, N., Karsinti, E., Morel, A., Dereux, A., Vorspan, F., Romo, L., & Icick, R. (2022). Feasibility of an Extensive Strategy for Adult Diagnosis of Attention Deficit Hyperactivity Disorder Among Patients Suffering From Substance Use Disorders. Frontiers in psychiatry13, 803227. https://doi.org/10.3389/fpsyt.2022.803227
  7. van der Burg, D., Crunelle, C. L., Matthys, F., & van den Brink, W. (2019) Diagnosis and treatment of patients with comorbid substance use disorder and adult attention-deficit and hyperactivity disorder: a review of recent publications. Current opinion in psychiatry, 32(4), 300–306. https://doi.org/10.1097/YCO.0000000000000513
  8. Elsabban, M., Ghany, M. G. A. al, Alabass, M. M. A., & Elsabban, M. (2022). Assessment of Adult Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) in Substance Use Disorder Patients. The Egyptian Journal of Hospital Medicine. https://doi.org/10.21608/ejhm.2022.266028
  9. Fatseas, M., Debrabant, R., & Auriacombe, M. (2012). The diagnostic accuracy of attention-deficit/hyperactivity disorder in adults with substance use disorders. Current opinion in psychiatry25(3), 219–225. https://doi.org/10.1097/YCO.0b013e3283523d7c
  10. Ressel, M., Thompson, B., Poulin, M. H., Normand, C. L., Fisher, M. H., Couture, G., & Iarocci, G. (2020). Systematic review of risk and protective factors associated with substance use and abuse in individuals with autism spectrum disorders. Autism : the international journal of research and practice, 24(4), 899–918. https://doi.org/10.1177/1362361320910963
  11. Lushin, V., Marcus, S., Tao, S., Engstrom, M., Roux, A., & Shea, L. (2025). Comparing the prevalence of substance use disorders between persons with and without autism spectrum disorders. Autism : the international journal of research and practice29(7), 1674–1687. https://doi.org/10.1177/13623613251325282
  12. Haasbroek, H. & Morojele, N. K. (2021). A Systematic Literature Review on the Relationship Between Autism Spectrum Disorder and Substance Use Among Adults and Adolescents. Review Journal of Autism and Developmental Disorders. https://doi.org/10.1007/s40489-021-00242-1
  13. Parmar, A., & Kaloiya, G. (2018). Comorbidity of Personality Disorder among Substance Use Disorder Patients: A Narrative Review. Indian journal of psychological medicine, 40(6), 517–527. https://doi.org/10.4103/IJPSYM.IJPSYM_164_18
  14. DeJong, C. A., van den Brink, W., Harteveld, F. M., & van der Wielen, E. G. (2009) Personality disorders in alcoholics and drug addicts. Comprehensive psychiatry, 34(2), 87–94. https://doi.org/10.1016/0010-440x(93)90052-6
  15. Hasin, D., Samet, S., Nunes, E., Meydan, J., Matseoane, K., & Waxman, R. (2006). Diagnosis of comorbid psychiatric disorders in substance users assessed with the Psychiatric Research Interview for Substance and Mental Disorders for DSM-IV. The American journal of psychiatry163(4), 689–696. https://doi.org/10.1176/ajp.2006.163.4.689
  16. Multidisciplinaire Richtlijn Stoornissen in het gebruik van alcohol, H3 Screening, Classificatie, Diagnostiek, Indicatiestelling, Monitoring en evaluatie. Geraadpleegd via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/stoornissen_in_het_gebruik_van_alcohol_2023/screening_classificatie_diagnostiek_indicatiestelling_monitoring_en_evaluatie.html
  17. Multidisciplinaire Richtlijn Stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne, amfetamine, ecstasy, GHB en benzodiazepines, H13 Addendum stoornissen in middelengebruik in combinatie met andere psychiatrische aandoeningen. Geraadpleegd via: Addendum stoornissen in middelengebruik in combinatie met andere psychiatrische aandoeningen – Stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne, amfetamine, ecstasy, GHB en benzodiazepines | GGZ Standaarden

Meer interessante artikelen

Overige

Hoe weet je of je klaar bent met therapie?

Een psychologisch traject kan soms een langere tijd duren. Als je jouw psycholoog wekelijks spreekt, bouw je een bijzondere (therapeutische) band met elkaar op. Maar vroeg of laat komt er aan elk behandeltraject een einde. En dat kan best wel lastig zijn. Want hoe...